return

Vermaatschappelijking van innovatie

onderzoeksprogramma van de disciplinegroep Innovatiewetenschappen (NW&I)

april 2000
 
 

Harro van Lente

Ruud Smits
 
 

inhoud

1 Achtergrond *

2 Innovatiewetenschap *

2.1 Het belang van innovatie *

2.2 Innovatiewetenschap: processen en systemen *

2.3 Veranderingen in de aard en context van innovatieprocessen *

2.4 Vermaatschappelijking van innovatie *

3 Doelstelling *

4 Drie onderzoekslijnen en drie horizontale thema’s *

4.1 Inleiding *

4.2 Drie onderzoekslijnen *

4.3 Drie horizontale thema’s *

5 Onderzoeksprojecten *

6 Samenwerkingsverbanden *

6.1 binnen de Universiteit Utrecht *

6.2 nationaal en internationaal *

7 Financiering *

8 Literatuur *
 
 
 
 

  1. Achtergrond

Recentelijk is de disciplinegroep Innovatiewetenschap ingesteld om onderzoek te verrichten op het gebied van de innovatiewetenschappen en om een onderzoeksomgeving te bieden voor de opleiding Natuurwetenschap en Innovatiemanagement (NW&I). In deze notitie schetsen we de centrale vragen van het onderzoeksprogramma en bespreken we de onderzoekslijnen en -projecten die hieruit voortvloeien.

De doelstelling van deze notitie is tweeërlei:

  1. Het scheppen van een kader waarbinnen het onderzoek van de disciplinegroep NW&I zich afspeelt.
  2. Het fungeren als inspiratiebron en vehikel voor samenwerking waardoor cumulatieve kennisopbouw mogelijk wordt.
In deze notitie geven we een karakterisering van het gebied van de innovatiewetenschappen (par. 2) en de bijdrage die de disciplinegroep hieraan wil leveren (par. 3). Centraal in het onderzoeksprogramma staan drie onderzoekslijnen (par. 4) waarbinnen empirische, theoretische en beleidsgerichte studies verricht worden (par. 5).

Er zijn drie belangrijke inhoudelijke randvoorwaarden voor het onderzoeksprogramma:

  1. Ontwikkelen van kennis van en inzicht in innovatieprocessen en -systemen in theorie en praktijk. Deze randvoorwaarde vloeit direct voort uit de missie van de disciplinegroep Innovatiewetenschap.
  2. De drie studiepaden van de opleiding NW&I als toepassingsdomein. De gedachte hierachter is dat het onderzoeksprogramma voedend dient te zijn aan het onderwijs. Het betreft hier de volgende drie domeinen: Energie en Materialen, Mobiliteit en Infrastructuur, en Medische Biotechnologie.
  3. Duurzame ontwikkeling als centraal aandachtspunt. Deze randvoorwaarde vloeit voort uit de participatie van de disciplinegroep in het Copernicus Instituut. In dit onderzoeksinstituut staan de thema’s duurzaamheid en innovatie centraal.
  1. Innovatiewetenschap

  2.  

     

    1. Het belang van innovatie

    2. Zowel voor onze economie als onze samenleving worden wetenschap en technologie steeds belangrijker. De ontwikkeling naar een hoogwaardige diensten economie stimuleert de vraag naar nieuwe kennis. Het aandeel van kennis intensieve goederen en diensten in de export van de grote blokken is de laatste 15 jaar met 500 tot 600% (VS en Japan), respectievelijk 300% (EU) gestegen. Het gewicht van een Dollar Amerikaanse export is het laatste decennium gehalveerd. Ook de ontwikkeling op de belangrijkste beurzen waar kennis intensieve bedrijven de meer traditionele bedrijven (lijken te) verdringen, spreekt in dit verband boekdelen. Maar niet alleen voor de economie is kennis van steeds groter belang. De rol van informatietechnologie in – onder meer – het onderwijs, van de biotechnologie voor de gezondheidszorg en ons voedsel, van nieuwe materialen voor kleding en consumenten producten en de rol van kennis in het bevorderen van een meer duurzame ontwikkeling, spreken in dit verband boekdelen.

      Deze ontwikkelingen vragen om een strategisch en effectief innovatiebeleid op zowel publiek als privaat niveau. De verandering in het sturingsparadigma is hierbij van bijzonder belang omdat het zowel publieke als private actoren dwingt om hun beleid en strategievorming structureel te herzien.

      Een goed inzicht in de dynamiek van innovatieprocessen en de mogelijkheden die actoren betrokken bij deze processen ter beschikking staan om hierop invloed uit te oefenen is een voorwaarde voor deze beleid- en strategieontwikkeling.
       
       

    3. Innovatiewetenschap: processen en systemen
De innovatiewetenschap vormt nog geen hecht geïntegreerd theoretisch bolwerk. Ze kan gekarakteriseerd worden als een (inter-) discipline in ontwikkeling die zich op het kruispunt bevindt van sociologisch en historisch wetenschap- en techniekonderzoek, economische innovatiestudies en beleidsstudies. Binnen dit brede cluster van benaderingen is sprake van een aantal theoretische stromingen die de laatste decennia een snelle ontwikkeling doormaken en die steeds sterker op elkaar betrokken raken. Inmiddels is sprake van een min of meer robuuste ‘body of knowledge’ betreffende de aard van innovatieprocessen en de organisatorische en maatschappelijke inbedding van innovaties. Vandaar dat met recht gesproken kan worden van innovatiewetenschap. Centrale inzichten hierin zijn: Ondanks deze groeiende kern van gedeelde inzichten is er binnen de innovatiewetenschap een tweespalt te onderkennen. Een eerste onderzoeksstroming gaat meer uit van de analyse van innovatieprocessen en tracht van daaruit inzicht te krijgen in het ontstaan van nieuwe ordeningen (instituties, structuren, systemen). De tweede stroming begint aan de andere kant: vanuit de analyse van innovatiesystemen wordt onderzocht hoe en welke sociotechnische vernieuwing mogelijk wordt. De twee stromingen zijn potentieel complementair maar nog onvoldoende op elkaar betrokken. Dit tekort wordt met name pregnant in het licht van de ontwikkelingen in de aard en context van innovatieprocessen zoals die zich de afgelopen decennia aftekenen.
 
 
    1. Veranderingen in de aard en context van innovatieprocessen
Innovatieprocessen zijn complexe maatschappelijke verschijnselen die aan tijd en plaats gebonden zijn. In de laatste decennia zijn een viertal ontwikkelingen van belang die de innovatiewetenschap voor een aantal uitdagingen stelt. In ons onderzoeksprogramma willen we ons expliciet op deze uitdagingen richten.
  1. Structurele veranderingen in onze economie

  2. Belangrijke sectoren in ons economisch bestel gaan momenteel door een periode van structurele transitie. Binnen de primaire sector, de landbouw, zien we een door dalende marges en milieuproblemen afgedwongen overgang van massaproductie naar specialties. Deze kennisgedreven ontwikkeling kan, mits succesvol, leiden tot een aanzienlijk versterking van de positie van de Nederlandse agrarische sector op internationale markten. De secundaire sector, de industrie, neemt sterk in betekenis af terwijl tegelijkertijd de tertiaire - en in minder mate - de quartaire sector, enorm in betekenis toenemen. Hiermee neemt het aandeel van kennisintensieve sectoren in onze economie toe en parallel hieraan groeit de behoefte aan nieuwe kennis en technologie. ICT speelt hierbij een cruciale rol, niet alleen als grondstof en als onderdeel van productie- en communicatiesystemen in traditionele sectoren, maar ook als basis voor de opkomst van nieuwe sectoren als de ‘Culturele Industrie’ (Rutten, 2000).

    Voor het onderzoek en het management van innovatieprocessen hebben deze verschuivingen grote consequenties. In de 'nieuwe landbouw', bijvoorbeeld, zullen innovatieprocessen structureel anders verlopen dan in de 'oude', lange tijd zo succesvolle landbouw. En hoewel industrie en diensten steeds meer met elkaar verweven raken moet toch geconstateerd worden dat innovatieprocessen in de industrie fundamenteel anders verlopen dan in de dienstensector (den Hertog et al, 1998).

  3. Opkomst van de life sciences

  4. Terwijl de 20ste eeuw de eeuw van ICT was, lijkt het erop dat de 21ste eeuw de eeuw van de biotechnologie kan worden. Voor onze economische structuur, en voor het management van innovatieprocessen, heeft deze ontwikkeling grote gevolgen. In de biotechnologie heeft men te maken met andere producten en diensten, andersoortige innovatieprocessen en een grote rol van ethische vraagstukken. Verder onderscheiden de ‘life sciences’ zich van onder meer ICT doordat zij vaak hun toepassing vinden in markten, bijvoorbeeld de gezondheidsmarkt, waarop veel meer publiek-private actoren opereren en waarop de wetten van de ‘onzichtbare hand' van Adam Smith minder greep hebben dan op de puur private markten. Verder spelen zaken als een gedegen maatschappelijk draagvlak en ethische overwegingen op deze ‘markten’ een uiterst belangrijke rol.

    Voor de innovatiewetenschap zullen de ‘life sciences’ een belangrijk object van onderzoek vormen, gegeven de aard van hun ontwikkeling én gegeven hun impact op economie en samenleving. Samen met het vergroten van het inzicht in de dynamiek van innovatieprocessen in de dienstensector vormen de ‘life sciences’ dan ook een van de belangrijkste uitdaging voor de innovatiewetenschap in de 21ste eeuw.

  5. Vermaatschappelijking van besluitvormingsprocessen

  6. De afgelopen decennia is een vermaatschappelijking zichtbaar van de besluitvorming rond innovatieprocessen en naar verwachting zal deze ontwikkeling zich ook doorzetten (Smits & Leyten, 1991). Steeds meer actoren zullen zich met de loop van innovatieprocessen bemoeien en - mede hierdoor - worden meer aspecten in deze besluitvorming betrokken. Deze ontwikkeling is een bijzonder geval van een veel bredere ontwikkeling die in de bestuurskunde bekend staat als de teloorgang van het 'top down' model en de opkomst van de 'sturing van de sturing'. Steeds minder kan vertrouwd worden op oude instituties. Steeds meer zijn organisaties voor het realiseren van hun (deel-) belangen afhankelijk van samenwerking met andere partijen, vaak zelfs met concurrenten, de zogenaamde concullega’s. Een belangrijk kenmerk van deze vermaatschappelijking is de overgang van een ‘loosely coupled system of discrete components’ naar een ‘strongly interlinked system of fuzzy components’. Zonder twijfel is de ICT een belangrijke factor in deze transformatie. Het is door ICT dat informatie steeds sneller en breder toegankelijk wordt waardoor informatie-monopolies doorbroken worden en de communicatie veel efficiënter wordt. De roep om een meer duurzame samenleving versterkt dit netwerkkarakter nog verder.

    In de innovatiewetenschap dient deze vermaatschappelijking nader onderzocht te worden. Er is ook aandacht nodig voor de nieuwe sturingsparadigma die het toegenomen netwerkkarakter met zich meebrengt.

  7. Veranderingen in de kennisinfrastructuur
De vraag naar de invulling en aansturing van de kennisinfrastructuur speelt een steeds belangrijkere rol. De trend dat universiteiten zich steeds meer moeten verantwoorden is een van de manifestaties van een breed, zich ook internationaal manifesterend fenomeen: de vervaging van de scherpe scheiding tussen wetenschap en praktijk. Wetenschappers verliezen steeds meer het exclusieve recht als producent van wetenschappelijke en technologische kennis. De opkomst van de kennisintensieve dienstverlening (ingenieursbureaus, software bedrijven, kennisintensieve consultants) speelt hierbij een belangrijke rol. Er is sprake is van een revolutionaire verandering waarbij zowel cultuur, inhoud als organisatie van de kennisinfrastructuur aan de orde zijn, of, in termen van Gibbons et al.(1994), een transitie van 'mode 1' naar 'mode 2 science'.

De uitdaging voor de innovatiewetenschap is om op basis van nadere analyse inzichten te ontwikkelen die bijdragen aan een kennisinfrastructuur die een maatschappelijk en economisch gezonde balans aanhoudt tussen wetenschappelijke vernieuwing en probleemoriëntatie.
 
 

    1. Vermaatschappelijking van innovatie
De hierboven beschreven ontwikkelingen hebben bijgedragen tot wat genoemd kan worden de ‘vermaatschappelijking van innovatie’. Deze ontwikkeling stelt nieuwe vragen aan de innovatiewetenschap die nog onvoldoende worden herkend en geadresseerd. In het bijzonder gaat het bij de vermaatschappelijking van innovatie om de volgende uitdagingen: De innovatiewetenschap heeft de hier geschetste vermaatschappelijking van innovatie (toenemend inzicht, andere aard van innovatieprocessen en verschuivingen in de context) onvoldoende geïncorporeerd. Daarnaast bestaat er voor de innovatiewetenschap de uitdaging om bij te dragen aan begrip van innovatie in andere disciplines. Ook de economie, bestuurskunde, beleidswetenschap en bedrijfs- en organisatiekunde worstelen met de rol van innovatie in de theoretische modellen. Een goed voorbeeld hiervan vormt de discussie die momenteel tussen economen over de zogenaamde ‘Nieuwe Economie’ wordt gevoerd.
 
 
 
 
  1. Doelstelling

Ons onderzoeksprogramma gaat op de volgende wijze in op de genoemde wetenschappelijke uitdagingen:

Het onderzoeksprogramma streeft naar een effectieve balans tussen ontwikkeling van nieuwe inzichten en toepassing van deze inzichten in de praktijk. We willen inzicht krijgen in de wijze waarop innovatieprocessen complexer en opener worden, tegen de achtergrond van de vermaatschappelijking van besluitvormingsprocessen. Hierbij is bijvoorbeeld van belang hoe en welke actoren betrokken worden bij innovatieprocessen en welke factoren afgewogen worden; hoe de distributie van kennisproductie plaatsvindt, hoe grenzen in en tussen bedrijven verschuiven en wat de rol van 'stakeholders' is. Daarnaast willen we op basis van deze inzichten instrumenten ontwikkelen die het onderzoek en de betrokken actoren kunnen ondersteunen. Bijzondere aandacht verdient duurzame ontwikkeling, waar duurzaam zowel ecologisch als sociaal (gedragen door brede lagen in de samenleving) opgevat wordt.

De doelstelling van het onderzoeksprogramma luidt daarom:

Bijdragen aan de ontwikkeling van een duurzame samenleving door het vergroten van de kennis van en het inzicht in innovatieprocessen en -systemen en door het ontwikkelen van instrumenten die betrokkenen bij deze innovatieprocessen ondersteunen.
 
 
 
 

  1. Drie onderzoekslijnen en drie horizontale thema’s

  2.  

     

    1. Inleiding
Het onderzoeksprogramma vertrekt van de in het voorafgaande gepresenteerde analyse. Daarin staan centraal de veranderende aard van innovatieprocessen (met name die in de dienstensector en de ‘life sciences’) en de veranderende context, met name de overgang van zwak gekoppelde systemen van discrete componenten naar sterk gekoppeld systemen van ‘fuzzy’ componenten. Deze veranderingen stellen uitdagingen aan de innovatiewetenschap (zie par. 2.4) die we in dit onderzoeksprogramma aangaan met drie onderzoekslijnen:
  1. Analyse van innovatieprocessen en –systemen
  2. Kritische reflectie op innovatietheorieën
  3. Analyse en ondersteuning van besluitvormingsprocessen
Deze onderzoekslijnen worden zo ingevuld met onderzoeksprojecten dat ze tezamen voldoen aan de drie inhoudelijke randvoorwaarden van het programma: bijdragen aan de innovatiewetenschap, voeden van de studiepaden, en concentreren op het thema innovatie en duurzaamheid. Hieronder worden de drie onderzoekslijnen kort geschetst.
 
 
    1. Drie onderzoekslijnen

Lijn 1: Analyse van innovatieprocessen en –systemen

Hierbij gaat het om case-studies die beogen de veranderingen in de context waarbinnen innovatieprocessen zich afspelen zichtbaar te maken en inzicht te verschaffen in de dynamiek van innovatieprocessen en –systemen en hun onderlinge interactie. Hierbij kan gedacht worden aan een drietal mogelijke typen case-studies:

Onderzoek naar de bijdrage van ICT op sectorniveau aan een meer duurzame samenleving is een voorbeeld van de eerste categorie, maar ook onderzoek naar de effecten van gentherapie op de gezondheidszorg, horen binnen deze categorie. Longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van innovatiesysteem in historisch en internationaal vergelijkend perspectief, als ook studies naar de rol van intermediairen in het verloop van innovatieprocessen zijn voorbeelden van de tweede categorie. De twee lopende AIO-projecten waarin de ontwikkeling van een specifieke technologie, te weten steenkolenvergassing en energie uit de grootschalige exploitatie van windmolens centraal staat, vormen ook voorbeelden van het tweede type. De relatie met de selectieomgeving en consequenties voor theorievorming en (wetenschap-, technologie- en innovatie-) beleid zijn belangrijke onderzoeksvragen binnen deze projecten.

Technologieverkenningen gericht op het identificeren van voor duurzame ontwikkeling belangrijke (doorbraak-) technologieen zijn voorbeelden van het derde en laatste type.
 
 

Lijn 2: Kritische reflectie op innovatietheorieën

De innovatietheorie schiet in de twee in het voorafgaande gememoreerde hoofdstromen - de op processen georiënteerde benaderingen en de systeembenaderingen die zich richt op instituties en hun relaties - op een tweetal punten duidelijk tekort:

Ook disciplines als de economie, de bestuurskunde en de beleidswetenschappen worden met deze twee problemen geconfronteerd. De economie weet slecht raad met netwerk externaliteiten van nieuwe technologieën die het voor de traditionele economie cruciale schaarste begrip langzaam maar zeker uithollen (zie de discussie over Infonomics of de Nieuwe Economie in Shapiro en Varian, 1999, Kelly, 1998, Soete, 1999, Lambooy, 1999, Brouwer, 1999). Bestuurskundigen en beleidswetenschappers erkennen dat er sprake is van een nieuw sturingsparagdigma (sturing van de sturing) maar tasten nog in hoge mate in het duister over het sturingsparadigma dat er voor moet zorgen dat de informatietechnologie niet tot de verwerkelijking van Orwells ‘1984’ leidt, maar bijdraagt aan het verhogen van het democratisch gehalte van onze samenleving (Frissen, 1996, Geurts, 1993, Mayer, 1997). Voor al deze theorievorming geldt dat substantiële vooruitgang in het begrip van innovatieprocessen in relatie tot de systemen waarbinnen en in interactie waarmee zij plaatsvinden ondenkbaar is zonder een veel verder gaande endogenisering van technologische ontwikkeling binnen de theorie.

Uitgaande van onze analyse concentreren wij deze lijn van ons onderzoeksprogramma met name op de interactie tussen systemen en processen, het management van het interface tussen organisaties en de systemen waarbinnen zij innoveren en de rol van intermediairen in deze innovatieprocessen. Op deze manier proberen we ook bij te dragen aan de ontwikkeling van de endogenisering van innovatieprocessen in de theorievorming van andere disciplines.
 
 

Lijn 3: Analyse en ondersteuning besluitvormingsprocessen

Inzicht alleen is niet voldoende. Van belang is ook na te gaan welke mogelijkheden dit verbeterd inzicht biedt voor de concepten, methoden en technieken van actoren die daadwerkelijk bij (het management van) innovatieprocessen betrokken zijn. Daarbij gaat het zowel om inhoudelijke als om procesmatige aspecten (Smits, 1994).

Inhoudelijk gaat het hierbij om de aard van de strategische informatie die actoren betrokken bij innovatieprocessen nodig hebben om hun doelstellingen te kunnen verwezenlijken. Inzicht in de potenties van nieuwe technologieën voor onze economie en samenleving, de waardering daarvan door verschillende partijen, de consequenties die verbonden zijn aan de realisering van deze potenties en inzicht in de beïnvloedingsmogelijkheden die voor betrokkenen openstaan wordt van groter belang. Daarnaast is er behoefte aan inzicht in de besluitvormingsprocessen binnen innovatiesystemen: wie is daar op welke wijze en vanuit welke optiek bij betrokken? Onderzoek dat beide aspecten in beschouwing neemt is relatief schaars en zal verder gestimuleerd moeten worden. Hierbij kan geleerd worden van de ervaringen die de laatste 25 jaar onder meer met foresight (Martin, 1995, verschaft inzicht in het aanbod van nieuwe technologie), technology assessment (Smits & Leyten , 1991 en Smits et al, 1995, verhelderen van de potentie en impact van en voorwaarden voor innovaties), clusterstudies (Jacobs, 1998, articuleren van de vraag naar nieuwe technologie) en evaluatieonderzoek van onderzoeksprogramma’s en innovatieprocessen (OESO, 1997). Met name ‘technology assessment’ en ‘foresight’ hebben de laatste jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Van voorspellend onderzoek hebben zij zich ontwikkeld tot onderzoek dat de co-evolutie van innovatiesystemen en –processen als uitgangspunt neemt. Vanuit die optiek verschaffen zij informatie die betrokken kan helpen scenario’s voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen te ontwerpen. Op die manier helpt dit type onderzoek actoren te anticiperen op – en daardoor mede vorm te geven aan – het verloop van innovatieprocessen en de ontwikkeling van innovatiesystemen. Naast het uitvoeren van specifieke ‘technology assessment’ en ‘foresight studies’ wil ons onderzoeksprogramma bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het systeem van ‘enhanced distributed intelligence’ (Kuhlmann et al,1999). Hierbij gaat onze interesse uit naar intermediaire organisaties en structuren die proberen op snelle en effectieve wijze de link te leggen tussen gecentraliseerde onderdelen van dit type informatiesystemen en contextgebonden vragen en informatiebronnen op gedecentraliseerd niveau.

Procesmatig gaat het om de consequenties van de opkomst van de netwerksamenleving voor het instrumentarium waarvan beleidsmakers en andere betrokken bij innovatieprocessen gebruik maken om hun doelstellingen te realiseren. De netwerksamenleving stelt hoge eisen aan het management van het interface tussen organisaties en de netwerken waarin zij opereren, de vorming van strategische allianties, het vermogen het creatief potentieel van betrokken actoren te mobiliseren en aan de flexibiliteit van instituties en systemen en aan institutionele arrangementen die horizontaal beleid en samenwerking faciliteren. Er bestaat grote behoefte aan beleidsconcepten en daarmee verbonden instrumenten die flexibiliteit bevorderen en gericht bijdragen aan versterking van netwerken, de ontwikkeling van spelregels (en wetgeving) voor competitie en samenwerking in netwerken en bewerkstelligen dat de publieke kennisinfrastructuur effectief wordt geïntegreerd in innovatiesystemen (van Dijk, 1995). Het door de Nederlandse overheid ontwikkelde clusterbeleid (Ministerie van Economische Zaken, 1999), is in dit verband een goede eerste stap, maar er zullen er nog vele moeten volgen. Een belangrijk onderdeel van dit instrumentarium bestaat uit instrumenten die helpen een aantal barrières tussen actoren in de innovatienetwerken op te heffen. De laatste decennia zijn op dit terrein vele nieuwe ontwikkelingen gaande. Strategische workshops, scenario-workshops, elektronische vergadersystemen, ‘gaming’ en ‘consensus development conferences’ zijn slechts enkele van de vele voorbeelden die hier genoemd kunnen worden. In Copernicus verband worden plannen ontwikkeld voor een onderzoeksprogramma dat voortbouwend op genoemd onderzoek en op werk van Smits & Geurts (1997), den Hertog & Smits (1997) en Glasbergen et al (1998), de vraag aan de orde stelt, welke methodiek of instrument, in wat voor ‘setting’ in welke fase van innovatieprocessen welke toegevoegde waarde levert.
 
 

    1. Drie horizontale thema’s
De drie onderzoekslijnen geven de aard van de activiteiten van het onderzoeksprogramma aan: case studies, theoretische reflectie en beleidsgerichte analyse. Tezamen worden in deze onderzoekslijnen drie thema’s geadresseerd. Deze thema’s geven aan welke inhoud centraal staat in het onderzoeksprogramma: Het eerste thema, opkomst van de informatiesamenleving en duurzaamheid richt zich op een belangrijke bron van duurzamere systemen en processen: ICT. Hoewel de verwachtingen t.a.v. ICT en duurzaamheid hoog gespannen zijn, is er nog altijd maar weinig echt concreet bewijs voorhanden. Het volgende twee thema, de rol van intermediairen in innovatieprocessen in ketens, netwerken en systemen, vloeit direct voort uit de in par.2 gepresenteerde analyse. Het laatste thema, dynamiek, inrichting en aansturing van de kennisinfrastructuur is gekozen omdat zich binnen de kennisinfrastructuur grote veranderingen voltrekken die deels een gevolg zijn van innovatieprocessen, maar deze op hun beurt ook weer beïnvloeden.
 
 
  1. Onderzoeksprojecten

Het onderzoek zoals hierboven besproken wordt in een aantal projecten uitgewerkt . Momenteel lopen er binnen de disciplinegroep een drietal AIO-projecten met de volgende thema’s:

Voor de volgende thema’s worden voorstellen ontwikkeld voor promotie- en ander onderzoek. Op korte termijn zullen in ieder geval drie AIO plaatsen ingevuld kunnen worden.

Modellen van participatieve besluitvorming rond genetische diagnostiek

Genetische diagnostiek breidt zich in snel tempo uit. Er bestaan veel zorgen over maatschappelijk ongewenste effecten van deze technologie, en er zijn veel partijen betrokken bij discussies over de meest gewenste maatschappelijke inbedding. In deze situatie lijkt een vormgeving van de besluitvorming volgens de lijnen van CTA, waarbij ontwikkeling en regulatie van technologie gelijk op gaan, een vruchtbare benadering. Bij de implementatie van CTA neemt het ontwikkelen van instrumenten van participatieve besluitvorming een belangrijke plaats in. Dit onderzoek richt zich, met betrekking tot besluitvorming rond genetische diagnostiek, op de relatieve merites van instrumenten die zich richten op confrontatie respectievelijk consensus. Daarbij staat de vraag centraal naar de samenhang tussen vorm en inhoud van verschillende participatieve instrumenten. Doel is het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van instrumenten die heldere articulatie van standpunten inbedden in een constructieve atmosfeer.

Mogelijkheden voor duurzame energietechnologieen binnen een liberaliserende energiemarkt

Er zijn op dit moment een aantal veelbelovende innovatietrajecten op het terrein van duurzamere electriciteitsproductie en –consumptie. De liberalisering van de energiemarkt zoals die door EU regulering wordt gestimuleerd brengt een aantal van deze trajecten in gevaar. In het onderzoek wordt nagegaan welke factoren de innovatietrajecten kunnen steunen in een nieuwe, geliberaliseerde energiemarkt. Er zal met name aandacht zijn voor het netwerk van stakeholders en voor de implicaties voor innovatiebeleid.

De dynamiek van dematerisalisatie

De opkomst van ICT kan een bijdrage betekenen voor het energie- en materiaal efficiënter worden van de samenleving. Vooral beloftevol zijn nieuwe op ICT gebaseerde product-dienst combinaties waarin maatschappelijke functies worden vervuld met sterk gereduceerd materiaalgebruik. Er bestaat echter veel onduidelijkheid wat de werkelijke bijdrage aan duurzaamheid kan zijn van deze innovaties. In dit onderzoek wordt ten eerste het potentieel van ICT onderzocht voor de ‘dematerialisatie’ van de economie. Een aantal product-dienst systemen wordt onderzocht door modellering, forecasting en levenscyclus assessment. De tweede vraag betreft de dynamiek van innovatieprocessen gericht op dematerialisatie centraal. Met name wordt de opkomst van intermediaire actoren geanalyseerd die betrokken partijen, beloften en inzichten koppelen. Het onderzoek slaat een brug tussen het terrein van de innovatiewetenschap en van de industriële ecologie waarin materiaal- en energiestromen worden geanalyseerd en geoptimaliseerd.

Duurzaam mobiliteitsbeleid, activiteitenpatronen en innovatie in ICT

Mobiliteit is een afgeleide van activiteiten die mensen wensen uit te voeren op bepaalde locaties. Uitgangspunt in dit onderzoek is dat de eenheid van analyse niet de verplaatsing zelf betreft, maar de activiteit die deze verplaatsing genereert. Een van de consequenties van een dergelijke invalshoek is de vraag gesteld kan worden wat de rol van ICT is voor duurzame mobiliteit. ICT stelt mensen in staat activiteiten op een andere plaats uit te voeren of activiteiten te vervangen door andere activiteiten. In dit onderzoek staat centraal wat de gevolgen zijn van restrictief milieubeleid op verplaatsingsgedrag en wat het effect is van specifieke ICT-gebaseerde innovaties op de activiteiten die mensen kunnen uitvoeren en daarmee op het verplaatsingsgedrag. Op basis van een steekproef en simulaties worden de huidige activiteiten- en mobiliteitspatronen van verschillende groepen in kaart gebracht en geanalyseerd.

Emergente netwerken en vervagende grenzen tussen organisaties

Organisaties opereren in toenemende mate in netwerken, onder andere door nieuwe ICT opties. Er zijn nieuwe relaties met klanten, overheden en andere organisaties. Dit roept vragen op over de inrichting van de interne organisatie en over nieuwe strategische wegen. In de literatuur zijn een aantal conceptuele modellen beschikbaar die in een aantal cases vergeleken en aangevuld zullen worden.

De rol van kennisintermediairen in innovatiesystemen

Kennisintermediairen zijn organisaties die ten behoeve innovatieprocessen in andere organisaties kennis produceren, selecteren en/of bewerken. In innovatiesystemen vervullen kennisintermediairen in toenemende mate belangrijke functies: verbinden, informeren, initieren, faciliteren. In het onderzoek zullen drie landen (Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten) vergeleken worden voor de periode 1945-2000. De landen verschillen op twee belangrijke dimensies: de rol van de overheid in het innovatiesysteem en de institionele flexibiliteit.
 
 

Naast onderzoek op hierboven beschreven thema’s worden een tweetal integrerende onderzoeksprojecten uitgevoerd.

Synthese van de theoretische implicaties van de vermaatschappelijking van innovatie

De uitkomsten en inzichten uit de verschillende projecten worden samengenomend. Dit integrerende project sluit aan op de tweede onderzoekslijn. Hierin concentreren wij ons met name op de interactie tussen systemen en processen, het management van het interface tussen organisaties en de systemen waarbinnen zij innoveren en de rol van intermediairen in deze innovatieprocessen. Op deze manier proberen we ook bij te dragen aan de ontwikkeling van de endogenisering van innovatieprocessen in de theorievorming van andere disciplines.

Beleidsimplicaties van de vermaatschappelijking van innovatie

In dit project, dat centraal staat in de derde onderzoekslijn, wordt een synthese gemaakt van aspecten van besluitvormingsprocessen en instrumenten zoals die uit de bovenbeschreven projecten naar voren komen. Nagegaan wordt welke mogelijkheden dit verbeterd inzicht biedt voor de concepten, methoden en technieken van actoren die bij innovatie en het management van innovatieprocessen betrokken zijn. Daarbij gaat het zowel om inhoudelijke als om procesmatige aspecten.
 
 

  1. Samenwerkingsverbanden

  2.  

     

    1. binnen de Universiteit Utrecht

    2. Binnen de universiteit Utrecht zijn de deelnemers in Het Copernicus Instituut: Natuurwetenschap en Samenleving, Milieukunde en Omgevingsbeleid en Milieukunde en Hydro-ecologie belangrijke partners. De eerste tijd zal het accent liggen op het intensiveren en uitbreiden van de samenwerking binnen het kader van ‘Copernicus’. Parallel hieraan zal nagegaan worden in hoeverre samenwerking met ander Utrechtse partijen kan worden gerealiseerd, in de eerste plaats binnen de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, zoals het URU (Urban Research centre Utrecht). Het Centrum voor Beleid en Management, de Utrechtse ‘Economen’ en de faculteit Sociale Wetenschappen doen zich hierbij voor als min of meer natuurlijke partners. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre de samenwerking met de bèta’s geïntensiveerd kan worden.

    3. nationaal en internationaal
    Op nationaal niveau is van belang te melden dat de disciplinegroep medio april 2000 een aanvraag voor participatie bij de onderzoeksschool Wetenschap, Technologie en Moderne Cultuur (WTMC) zal indienen.

    Op dit moment is overleg over mogelijke samenwerking gaande met de Universiteit Twente (prof. Rip en prof van Rossum), MERIT (prof. Soete en dr. Windrum), de Universiteit van Amsterdam (dr. Leijdesdorff), de Vrije Universiteit van Amsterdam (prof. Tuininga en dr. Groenwegen), de Universiteit Maastricht (prof. Bijker), TNO-STB (ir. Hoedemaker), TNO-INRO (ir. Blom) en Dialogic (drs. Holland en drs. den Hertog).

    Mogelijke toekomstige samenwerkingspartners zijn: Technische Universiteit Eindhoven (faculteit Technologie Management) en de Technische Universiteit Delft (faculteit Technische Bestuurskunde).

    Internationaal zijn er vele contacten maar tot op dit moment (voorjaar 2000) nog weinig concrete samenwerkingsprojecten. Daarmee willen we wachten tot de disciplinegroep een wat steviger profiel heeft kunnen neerzetten. Potentiële internationale partners in Europa zijn onder meer: ISI-Fraunhofer Geselschaft (prof. Meyer-Kramer & dr. Kuhlmann), Centre de Sociologie d’Innovation, Ecole de Mines (prof. Callon & prof. Latour), Technopolis-VK en Nederland (dr. Guy & dr. Boekholt), VTT-Finland (dr. Lemola), PREST-VK (prof. Miles & prof. Georghiou) ITAS-Duitsland (prof. Grunwald), OST-Frankrijk (dr. Barré), VITO-Belgie (dr. Berloznik & prof. Vanlangehoven) en het IPTS- Spanje (dr. Fahrenkrog).

    De disciplinegroep participeert in het Six Countries Program on Innovation. Dit is een reeds 25 jaar bestaand netwerk waarin onderzoekers, beleidsmakers en gebruikers elkaar twee keer per jaar tijdens een tweedaagse workshop ontmoeten en discussiëren over de laatste stand van zaken betreffende praktijk en theorie van innovatieprocessen. Een groot deel van de in het voorafgaande gememoreerde groepen participeert met enige regelmaat in de workshops van 6CP. Voor de disciplinegroep vormt dit netwerk een waardevolle bron van internationale contacten.
     
     
     
     

  3. Financiering

  4. De financiering van het onderzoek zal, zeker in de opbouwjaren, voor een groot deel uit de eerste geldstroom komen. Parallel hieraan zal vanaf het begin gepoogd worden 2e en 3e geldstroomfondsen te genereren. Wat betreft de 2e geldstroom is in dit verband vooral NWO van belang. Wat de derde geldstroom betreft zijn meerdere partijen denkbaar waaronder TNO, de Europese Commissie, de ministeries van EZ, OCW, BiZa, VWS, LNV, V&W en VROM, adviesraden als de AWT, SER , Commissie Overleg Sectorraden, VROM-Raad en Raad voor de Waterstaat.
     
     

  5. Literatuur

Arthur, B. (1988) ‘Competing technologies’ in: G. Dosi (eds) ‘Technical change and economic theory’ London, Pinter.

Barré, R. et al (1997) ‘Science in tomorrows Europe’, Economica International.

Bijker, W., T. Hughes & T. Pinch (eds) (1987) ‘The social constructiuon of technological systems. New directions in the sociology and history of technology’, MIT-Press, Cambridge MA.

Bongers, F. (2000) ‘Participatory policy analysis and group support systems’, dissertatie Katholieke Universiteit Brabant, nog te verschijnen.

Brouwer, H.J. (1999) 'Computer stelt economisch weinig voor', in: Volkskrant, 4 0ktober.

Dijk, J.W.A. van (1995), 'Beleidsinstrumenten in het technologiebeleid', in: H. Achterhuis, J. Geurts, A. Rip & R. Smits (eds), Technologie & Samenleving, cursusboek van de Open Universiteit, Heerlen.

Dosi, G. et al (1988) ‘Technical change and economic theory’, Pinter Publishers, London & New York.

Freeman, C. (1987), 'Technology policy and economic performance: lessons from Japan', Pinter Publishers Ltd., London.

Frissen, P. (1997) 'De virtuele staat: politiek, bestuur, technologie: een postmodern verhaal.’, Academic service, Schoonhoven.

Geurts, J. (1993) ‘Omkijken naar de toekomst’, lange termijn verkenningen in beleidsexercities’, oratie Katholieke Universiteit Brabant, Samson H.D. Tjeenk Willink.

Gibbons, M., C. Limoges, H. Nowotny, S. Schwartzman, P. Scott & M. Trow (1994) 'The new production of knowledge. The dynamics of science and research in contemporary societies', Sage Publications.

Glasbergen, P. et al (1998) ‘Co-operative environmental governance; public-private agreements as a policy strategy’, Kluwer Academic publishers.

Hagedoorn (1988) ‘Evolutionary and heterodox innovation analysis. A study of industrial and technological development in process control and information technology’, Proefschrift Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht.

Hertog, P. den & R. Smits (1997) ‘Gebruikersparticipatie in trajecten voor ontwikkeling van wetenschap en technologie’, in: P. Ester, J. Geurts & M. Vermeulen (red.) ‘De makers van de toekomst’, Tilburg University Press.

Hertog, P. den, R. Bilderbeek, G. Marklund & I. Miles (1998) 'Services in innovation: Knowledge Intensive Business services (KIBS) as co-producers of innovation’, SI4S synthesis paper no 3. Published by STEP, Oslo.

Jacobs J. (1998) 'Het kennisoffensief', Samson.

Kelly, K. (1998) 'New rules for the new economy', Viking Books US/Forth Estate UK

Kuhlmann, S. et al (1999) 'Enhancing Distributed Intelligence in Complex innovation Systems', report published within the framework of the Targetted Socio-Economic research Programme of the European Commission, ISI-FhG, Karlsruhe.

Lambooy, J. (1999) 'Economisch paradijs bestaat niet', in: Volkskrant, 27-09-99.

Lente, H. van (1993) ‘Promising technology. The dynamics of expectations in technological developments.’, Eburon, Delft. Dissertatie Universiteit Twente.

Martin, B. (1995) ‘Foresight in science and technology’, in: ‘Technology Analysis & Strategic management’, vol. 7, no 2.

Mayer, I (1997) 'Participatory policy analysis: debating technologies', dissertatie KUB, Tilburg University Press.

Ministerie van Economische Zaken (1999) 'Industrie- en dienstenbeleid', brief aan de Tweede Kamer 26 628, zitting 1998-1999, Staatsuitgeverij, Den Haag.

Nelson, R. & S. Winter (1977) ‘In search for a useful theory of inovation’, Research policy, 6.

Roelandt, T.P. den Hertog, J. van Sinderen & N. van den Hove (1999) Cluster analysis and cluster policy in the Netherlands.’, in: OECD ‘Boosting innovation’, Paris.

Rutten, P. (2000) ‘De toekomst van de verbeeldingsmachine – de culturele Industrie in de 21ste eeuw., Boekmancahier, no 1, jrg 2000.

Shapiro, C. & H. Varian (1999) 'Information Rules', Harvard Business Scool Press, Boston.

Shapley, D. & R. Roy (1985) 'Lost at the frontier: US science and technology policy adrift', ISI-Press, Philadelphia.

Smits R., & A. Leyten (1991) 'Technology Assessment: waakhond of speurhond? Naar een integraal technologiebeleid', Kerckebosch, Zeist, 1991.

Smits, R. (1994) 'Elk land krijgt de technologie die het verdient, maar lang altijd die welke het nodig heeft', oratie, Tilburg University Press.

Smits R., A. Leyten & P. den Hertog (1995) 'Technology assessment and technology policy in Europe: new concepts, new goals, new infrastructures.', in: Policy Sciences (28), 272-299.

Smits, R. & J. Geurts (1997) ‘Blauwdruk voor een beleidslaboratorium’, TNO-Apeldoorn, KUB-Tilburg.

Soete, L. (1999) ‘Infonomie, contouren van een nieuwe discipline’, rede uitgesproken bij de opening van het academisch jaar 1999-2000 aan de Universiteit Utrecht.

Snijders, H. (1997) 'Eendimensionale wetenschap. Bespiegelingen over bruggen tussen berekenen en beschouwen' , dissertatie, Uitgeverij CREON.

Ziman, J. (1987), ‘Science in a steady state. The research systems in transition’, SPSG concept paper No 1.

return